Bijna geen van de beweringen van Melle Daamen snijdt hout

In twee uitvoerige essays (NRC 20 en 27 augustus) heeft Melle Daamen, directeur van de Stadsschouwburg in Amsterdam en lid van de Raad voor Cultuur zich kritisch uitgelaten over zowel de inhoud van het kunstbeleid als over het vermeende onvermogen van de kunstensector daar onder elkaar een goed debat over te houden. In zijn eerste essay stelt hij slechts 28% van de bevolking in kunst geïnteresseerd zou zijn, dat de kunst zich politiek in de luwte heeft laten duwen en dat wij niet trots zouden zijn op onze kunstenaars en dat zij – daarom – laag in aanzien staan. In zijn tweede essay stelt hij dat de sector geen antwoord heeft op de vergrijzing, achter loopt op de globalisering, het niet durft te hebben over overaanbod (‘taboe’), onvoldoende oog heeft voor excellentie, zich teveel laat leiden door oubollige criteria als  ‘vernieuwing’ en ‘kwaliteit’, niet genoeg innoveert, in het bijzonder op het gebied van ICT en sociale media (de Facebookgeneratie), en af moet zien van het ouderwetse adagium van spreiding. Om al deze redenen moet daarom ‘het systeem’ (van subsidietoekenning, advisering en beoordeling door de Raad voor Cultuur) worden open gebroken.

Dat is een heel rijtje. Hij brengt het als ‘voorzetten’ maar ze hebben een tamelijk beschuldigende toon. Veel deugt er niet aan het kunstbeleid volgens Daamen en de sector is niet in staat daar adequaat op te reageren. Dat roept de vraag op: is het waar, of op zijn minst steekhoudend ? En waarop is het gebaseerd ? Wij besluiten zijn beweringen te checken.

Kunstbeleid alleen als rijksbeleid

Daamen lijkt in zijn beide betogen vooral te spreken over de kunst, die door het rijk – althans voor een deel – wordt bekostigd. Daarbij ziet hij over het hoofd dat de door het rijk ondersteunde kunsten slechts een beperkt deel van alle kunst uitmaken. In de podiumkusten is dat niet meer dan 15% (VSCD/Tas), in de museumwereld rond de 30% (NMV/VRM), in de film en literatuur minder dan 5% (NVB) en in de eigentijdse beeldende kunst vormt de rijksbijdrage evenmin meer dan 10% van alle bestedingen. Gemeenten financieren een veel groter deel van de kunsten (ca. 40%) en de rest (45%) komt van publiek en sponsoren. Zijn essays moeten dus vooral gelezen worden als waarnemingen binnen het beperkte gebied van de rijksondersteundekunsten.

Geen bronnen, maar indrukken

Bij alle beweringen over dit rijks kunstbeleid valt op dat Daamen zijn beweringen nergens staaft met onderzoek of bredere rapportages. De Raad voor Cultuur brengt met enige regelmaat sectoranalyses uit, maar de laatste sectoranalyse podiumkunsten dateert uit 2011, nog van voor de bezuinigingen van Staatssecretaris Halbe Zijlstra. Ook de sectoranalyse musea dateert uit 2011. Het advies ‘Ontgrenzen en Verbinden, naar een nieuw Museaal Beleid’ is weliswaar uit 2013, maar gaat op de meeste van de door Daamen genoemde vraagstukken niet in. Ook de rijksgefinancierde fondsen, zoals het Fonds Podiumkunsten of het Mondriaanfonds brengen analyses en rapportages uit, maar die dateren eveneens van voor 2011. De jaarverslagen van deze instellingen maken geen melding van de door Daamen genoemde kwesties.

Wij stellen daarom vast dat Daamen zich vooral op zichzelf baseert. Nu is dat niet niks, hij is immers zowel directeur van De Stadsschouwburg Amsterdam als lid van de Raad voor Cultuur. Het gaat dus om indrukken van een insider, maar wel om indrukken.

Slagen in de lucht ?

Om te checken of de beweringen van Daamen meer zijn dat een reeks hoogst persoonlijke observaties gaan wij te rade bij Hans Onno van den Berg, op dit moment zelfstandig bedrijfsontwikkelaar in de kunst en cultuur, maar tot 2011  jarenlang directeur van de VSCD en voorzitter van de Federatie Cultuur. Van den Berg: “De beweringen van Daamen zijn op veel punten achterhaald. Zo stelt hij dat ‘overaanbod’ een taboe is en dat excellentie in de rijksbeoordeling onvoldoende plaats heeft en  ‘vernieuwing’ en ‘spreiding’ nog steeds een hoofdmotief voor subsidie vormen. Dat zijn opmerkingen die tot aan de bezuinigingen van Zijlstra hout sneden (daar zijn ook de nodige rapporten over geschreven, o.a. door de VSCD en de commissie d’Ancona), maar daar is door Zijlstra tamelijk rigoreus een einde aan gemaakt. De basisinfrastructuur voor de podiumkusten is per 1 januari 2013 teruggebracht van 34 naar 20 gezelschappen, daarnaast zijn alle werkplaatsen, productiehuizen en sectorinstituten opgeheven en het fonds voor de podiumkunst heeft 40% van zijn budget ingeleverd. Dat nieuwe fonds is van start gegaan onder het motto ‘minder, maar beter’, gericht op zowel meer geld  (focus) als meer excellentie. Ook de andere fondsen zijn gekort. Door de bezuinigingen is verwezenlijkt wat Daamen bepleit: minder spreiding, nog slechts 5 orkesten en 8 toneelgezelschappen in plaats van 12 respectievelijk 16. Het criterium excellentie en internationale betekenis zijn door zowel Zijlstra als het fonds Podiumkunsten nadrukkelijk genoemd en ‘vernieuwing’ is overal geschrapt. Daamen heeft gelijk dat het begrip ‘kwaliteit’ nog altijd tamelijk vaag is, waardoor ook ‘vernieuwing’ daar weer onder kan kruipen, maar o.a. het Fonds voor de Podiumkunsten hanteert een strak beoordelingsmodel waarin lokaal draagvlak, publieksbeoordeling,  internationale betekenis en ondernemerschap allemaal een plek hebben gekregen.  Allemaal dingen die Daamen mist, maar inmiddels zijn ingevoerd. Ook van een ‘taboe’ op overproductie is dus geen sprake.

Snijden zijn opmerkingen over achterblijvende inspanningen op het gebied van ICT (‘Facebook generatie’) wel hout?

Ik moet eerlijk zeggen dat het lijkt alsof Daamen de laatste jaren niet meer in een museum is geweest. Het Rijksmuseum heeft zijn volledige collectie gedigitaliseerd (high definition) en wordt daarvoor internationaal geroemd. Andere musea hebben virtuele tours ingericht, al dan niet via mobiele telefoon (Amsterdam Museum, Scheepvaartmuseum, Joods Historisch) waardoor de objecten een 2e extra leven meekrijgen. Het publiek spreekt zich over de kwaliteit van het gebodene uit door reviews (‘wie reviewt bestaat’). Dat kan misschien beter of sneller, maar het zeker niet zo dat we daarop ‘niet zijn toegerust’ of dat het stil staat. Ik weet dus niet goed waar Daamen het over heeft als hij stelt dat de (rijksgesubsidieerde) kunst bezig is daar de boot te missen. Dat geldt ook voor zijn opmerkingen over globalisering. Dat is helemaal niet iets waar de kunstwereld zich voor afsluit, integendeel. Het Concertgebouworkest en het Nederlands Danstheater zijn gevierd in het buitenland, en ook Ivo van Hove is een internationaal succes. En daar zijn we allemaal ook nog eens heel erg trots op, net als op Tiësto en Van Buuren. Dan is het nogal tautologisch om De Telegraaf als bewijs van een overdosis aan provincialisme op te voeren. Dan stelt Daamen dat de overheid moet stoppen zelf allerlei ‘projecten te verzinnen, maar kunstenaars moet volgen’. Maar de overheid verzint nauwelijks zelf projecten, dat doen de kunstinstellingen en kunstenaars en daarin volgt de overheid. Even later bepleit hij dan weer dat de overheid moet investeren in ‘nieuwe verdienmodellen en nieuwe mogelijkheden….’Ook zou de overheid een ‘rol moeten spelen in de transitie naar een nieuwe gidsfunctie voor de sociale media’…  Zijn dat dan geen projecten? En als de overheid dan internationaal actief is in de Design Week in Bejing is het ook weer niet goed.

Zijn positieve voorbeelden zijn ongelukkig gekozen. Rem Koolhaas als laatbloeier aanmerken houdt geen rekening met de vele gebouwen die hij overal in de wereld heeft achtergelaten en die bijna allemaal blijk geven van een overdreven hang naar ‘vernieuwing’: het televisiegebouw in Bejing (De Broek) maakt alleen vanuit de lucht indruk, maar daar woont niemand, en op de grond is het geheel ontoegankelijk. Zijn Casa de Musica in Porto is een witte gesloten doos die vooral wil imponeren door nieuw en anders te zijn, precies de dingen waar Daamen zich – terecht – tegen afzet. Dat geldt ook voor het Palais de Tokyo in Parijs, dat zich kenmerkt door hermetisch modernistische tentoonstellingen en installaties die weinig tot geen aansluiting vinden bij ‘jongere mensen’.

Wat steek houdt in al zijn ‘voorzetten’ is de hype van talentontwikkeling, waar vooral veel over geschreven en gepraat wordt, en dat ‘kwaliteit’ nog altijd een tamelijk vaag en dus omstreden begrip is. Maar dat daarvoor het systeem ‘opengebroken’ moet worden is sterk overdreven en dat maakt hij nergens aannemelijk.

Conclusie: een knuppel in…

Melle Daamen beweert in zijn twee essays onder andere dat het kunstbeleid onvoldoende is ingericht op de toekomst, overproductie bevordert, teveel wil spreiden, niet internationaal zou zijn en geen antwoord heeft op ICT en de facebook generatie.

Wij constateren dat Daamen zijn definitie van kunstbeleid wel erg beperkt opvat, geen onderbouwing geeft voor zijn indrukken  en dat de meeste van zijn beweringen verouderd zijn of niet meer dan een slag in de lucht. Tegenover elke indruk kan een andere worden geplaatst. Wij beoordelen zijn essays daarom als Grotendeels Onwaar.

Van den Berg: het feit dat hoenders na het gooien van de knuppel opgewonden opvliegen in het hok,  zegt niets over het gelijk van de knuppelaar. Integendeel. Des te merkwaardiger is het dat hij zijn pijlen vooral richt tegen het rijksbeleid, terwijl hij daar vanuit zijn positie in de Raad voor Cultuur als geen ander invloed op heeft….