Geen sprake van uitgeverschantage in kwestie Rietveld – Gerrits (Buma/Stemra)

Afgelopen weken is veel te doen geweest over ‘schandalig gedrag’ van Jochem Gerrits, muziekuitgever en bestuurslid van Buma/Stemra. Hij had componist Melchior Rietveld telefonisch voorgesteld een allang slepende zaak binnen het bestuur van Buma/Stemra te regelen tegen vergoeding van 1/3 deel van de opbrengst, geschat op circa €1 mln. Dat heeft alles weg van chantage: ik regel een miljoen voor je en krijg daarvoor een derde deel. Wat bij alle opwinding echter over het hoofd wordt gezien, is dat deze ‘chantage’ wettelijk is verankerd en vermoedelijk ook in het geval Gerrits niet strafbaar, maar algemeen gebruik.

Auteursrecht is niet alleen het recht van de auteur, maar ook dat van zijn uitgever. Het eerste — nog zeer zwakke — auteursrecht in Nederland is van 1514 en zelfs uitsluitend een drukkersrecht — vandaar copyright. Dat lag ook voor de hand. Neem Beethoven. Ook in zijn eigen tijd al wereldberoemd zaten er bij zijn premières kopiisten uit Engeland in de zaal die na 2 of 3 uitvoeringen het hele stuk op papier hadden en het thuis drukten en lieten uitvoeren, zonder dat Beethoven daar iets van zag. Zonder auteursrecht kunnen auteurs noch muziekuitgevers zich verweren tegen de vlijtige kopiist.
Auteursrecht (intellectueel eigendom) is intussen niet zwak meer, maar net als fysiek eigendom één van de meest sterk verankerde rechten ter wereld. In Nederland worden componist, tekstdichter en uitgever — elk voor 1/3 deel — sinds 1913 beschermd tegen zowel de ongeautoriseerde vermenigvuldiging als openbaarmaking van muziek.
De muziekuitgever evolueerde in de twintigste eeuw van drukker (noten op papier) tot platenbaas. In die hoedanigheid ontvangt hij niet alleen inkomen uit de verkoop van platen (vermenigvuldiging), maar samen met schrijver en componist ook uit uitvoeringsrechten: elke keer dat de muziek ergens ter wereld wordt gedraaid of gespeeld, via de kabel verspreid, of beluisterd in een hotelkamer, in de wachtkamer van het ziekenhuis of in de werkplaats van de garage, steeds is er sprake van een nieuwe openbaarmaking en worden alle auteursrechthebbenden, dus ook uitgevers, daaruit betaald.
Door internet, up- en downloaden en verspreiding via de kabel spelen uitgevers en platenmaatschappij echter steeds minder een rol. Het perverse gevolg van deze ontwikkeling is dat uitgevers zonder daar nog enige arbeid voor te verrichten, toch kunnen mee-eten uit de grote ruif van het auteursrecht.
Het doet er daarbij niet toe of een uitgever van meet af aan bij het werk is betrokken of pas later instapt. Als Jochem Gerrits dus voorstelt de uitgever van Melchior Rietveld te worden is dat volstrekt legitiem en als Rietveld daar ja op zegt is de afdracht van een derde deel van de opbrengst geheel volgens de wet.

Dat wat er gebeurt geheel legitiem is — belangenverstrengeling binnen het bestuur buiten beschouwing gelaten — maakt het incident er niet minder pervers om. Deze perversiteit valt Gerrits echter niet aan te rekenen, maar ligt aan de wet. Niet Gerrits moet worden vervolgd voor zijn chantage, maar de wet moet worden veranderd.
Zorg ervoor dat alleen nog echte auteurs rechthebbend zijn en de Buma’s en Stemra’s van deze wereld bestieren. Een wettelijk verankerd aandeel van uitgevers in muziekauteursrecht is onnodig en onwenselijk geworden met perverse uitwassen als het incident-Gerrits als gevolg.
Zeker zo pervers, maar minder onder de aandacht gebracht, is dat
– een trailermuziekje voor een oproep tegen piraterij van nog geen anderhalve minuut opeens recht zou geven op € 1 mln;
– de totale incasso voor muziekauteursrecht sinds 1965 is verhonderdvoudigd (X 100 !);en
– het ABP een goed renderende portefeuille auteursrecht bezit.
Ook dat is allemaal geheel conform de wet. Kortom, ‘There is something rotten in the land of copyright’, maar voor de opruiming daarvan is meer nodig dan een persoonlijke afrekening met een toevallige bestuurder.

[zie ook Financieele Dagblad van 29 december 2011]