Het leven is een festival

‘Groot (muziek)feest; reeks voorstellingen in een bepaald kader…’.Het woord festival komt uit het Frans en verwijst naar feest. Alleen die verwijzing maakt al duidelijk dat het hier gaat om een vrolijke en losse vorm van podiumkunst die anders is dan een voorstelling of concert in een stoel in een zaal. Al in de jaren 80 van de vorige eeuw werd er in Frankrijk over gesproken als ‘Maladie Française’ omdat het aantal franse zomerfestivals niet meer in één boekje op te nemen was. Elk zichzelf respecterend dorp heeft zijn festival, liefst gesitueerd in en rond een kasteel dat de rest van het jaar verlaten is. Avignon is natuurlijk het meest beroemd, maar ook de meest onooglijke dorpen hebben op zijn minst een ‘fête de village’ een ‘son et lumière’, een spookverhaal bij het vallen van de nacht of een reeks kamermuziek opvoeringen in de open lucht waar de bezoekers met picknickmanden en witte wijn in het gras zitten te luisteren. Er zijn in Europa festivals voor elke discipline, opera (Beyreuth, Glyndebourne,Salzburg, Operadagen Rotterdam), klassieke muziek (Oude Muziek, Festival Classique, Grachtenfestival), theater, dans en natuurlijk heel veel popmuziek. De Zwitserse spoorwegen brengen een aparte folder uit die je uitnodigt om – met treinkorting – alle 13 zomerpopfestivals te bezoeken. ‘Ontdek de festivals van Ierland’, adverteer Air Lingus en biedt reizen aan voor € 39,90 naar Dublin. Maar ook in Nederland laten we ons niet onbetuigd. De VSCD stelde in 2003 het lidmaatschap open voor festivals en heeft nu 9 festivalleden. De VNPF telt er een kleine 20. Met elkaar is dat slechts een fractie van de ruim 350 festivals die het jaarlijks festivaloverzicht weet op te sommen. Op een willekeurige dag (zaterdag 2 juli) biedt de ‘festivalagenda.nl’ de keuze uit maar liefst 59 festivals, waarvan 14 gratis. De aantrekkingskracht van het woord festival is inmiddels zo groot geworden dat ook de eindexamenpresentaties van conservatorium of toneelschool als festival worden aangeprezen, zoals het ‘ITS – festival’ of het ‘Music and Jazz festival’. De Willem de Koning Academie in Rotterdam noemt het een ’Graduation Festival’, net als het afstuderen van de studenten recht en bedrijfskunde van Leslie Faculty Law and Business in Engeland. Het woord werkt. Elke min of meer samenhangende reeks voorstellingen of concerten kan ‘festival’ worden genoemd en trekt vervolgens meer publiek dan de losse opeenvolgende concerten/voorstellingen zouden doen. Toen Muziekgebouw aan het IJ en Muziekgebouw Eindhoven in 2011 de minimal music componist Philip Glass op bezoek hadden programmeerden ze een reeks van 5 avonden, noemden het ‘World Minimal Music Festival’ en trokken twee keer meer publiek dan verwacht. En dit jaar hebben ook Drente en het Groningse platteland hun uiterst succesvolle theaterfestivals Waarom is dat? Waarom beleeft publiek een voorstelling of concert liever in festivalvorm dan als losse avond? In 2003 hield Paul Schnabel, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau voor het Podiumkunstencongres in Orpheus in Apeldoorn een Keynote (dat klinkt aantrekkelijker dan lezing) waarin hij de podiumkunsten een aantal langdurige maatschappelijke trends voorhield: de 5 I’s: internationalisering, informatisering, informalisering, individualisering en intensivering (van de beleving). Het ongekende succes van het begrip festival kan worden verklaard met 3 en soms zelf 4 van deze trends: intens, informeel en individueel, en niet zelden ook internationaal. Je kunt voorstellingen en presentaties in en uit wandelen (informeel), je dompelt je voor een paar dagen helemaal onder (intens), je kunt er met een groep vrienden, maar ook heel makkelijk in je eentje heen (individualisering) en een beetje festival zorgt voor een internationale line up. Puristen willen nog wel eens snerend doen over festivals van ‘bier en prosecco’, doelend op Lowlands en De Parade en het is zeker waar dat niet alle bezoekers bij mooi weer onder een boom op het festivalterrein ook aan een voorstelling toekomen, maar deze laatdunkendheid miskent de ontroerende concentratie waarmee de opvarenden van de honderden bootjes bij het Prinsengrachtconcert stil vallen als de muziek begint, of de overgave waarmee de bezoekers aan Hendrik Jan de Stuntman zich mee laten nemen in zijn groteske fantasieën. Ook hier geldt dat als iets echt goed is het publiek zich geheel laat opnemen en meeslepen door wat er op het podium gebeurt. Het mooiste voorbeeld dat ik hiervan heb mogen meemaken was de voorronde van De Kunstbende in de Meervaart in Amsterdam Osdorp. De zaal zat vol met 400 middelbare scholieren van wie 80% van Surinaamse, Marokkaanse, Turkse of Antilliaanse afkomst. Op het podium traden de wedstrijddeelnemers op met een gedicht, een liedje of een sketch. Daar was geen enkele aandacht voor. De 400 aanwezigen zaten met elkaar te praten, liepen de rij uit, zochten elkaar op voor het podium, tienermoeders hadden lawaai makende baby’s in een slendang op de heup hangen. Elke deelnemer had wel 20 fans meegenomen, maar die slaagden er zelden in de andere 380 aanwezigen stil te krijgen. Het meeste applaus werd overstemd. Tot er opeens een meisje een ingewikkeld lied inzette, a capella, met een loepzuivere, iets omfloerste stem. Binnen 5 seconden viel de zaal totaal stil, wie zich kletsend in de gangpaden ophield bleef opeens staan, richtte zich vol overgave op het podium. Wie op zijn stoel stond ging zachtjes zitten, en ook de twee aanwezige baby’s hielden hun mond. Na de eerste halve minuut zette de muziekband in en zwol haar zang op, klagend de hoogte in. Niemand sprak meer, niemand bewoog. Tot en met de laatste noot. Daarna een oorverdovend applaus, gegil, gejoel en gefluit. Zij won. Dit is wat een festival vermag. Een snifje toneel, een ruikertje muziek, een circusact, een leuke grap, een hapje, een praatje, een biertje met (nieuwe) vrienden, tot het moment dat alle 50.000 aanwezigen op Lowlands weten dat ze nu met z’n allen naar tent Bravo moeten, zoals gebeurde toen het Residentieorkest daar in 2011 (o.a.) Air van Bach speelde en ontroerend in beeld gebracht door Tijl Belkam in zijn programma Tienvoortijl. Rond 1930 gooide dirigent Eduard van Beinum de tafeltjes en losse stoeltjes uit de grote zaal van het Concertgebouw en mocht er niet meer tijdens de concerten worden gerookt en gedronken. Verstilde aandacht was de nieuwe norm voor het luisteren naar klassieke muziek. Deze nieuwe luistercode heeft in de loop van de tijd gezorgd voor een nieuwe drempel voor concertbezoek . Festivals (in de klassieke muziek heten ze soms ook proms) brengen de tafeltjes en losse stoeltjes weer terug. Maar informalisering is niet voorbehouden aan het buitenpodium. Ook gebouwen kunnen festivalliseren. Toen Gergiev in 1995 dirigent werd bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest werd hij aangenomen voor 20 concerten per jaar. ‘Deze stad heeft een festival nodig’ zou hij hebben gezegd en hij besloot zijn aanwezigheid niet door het jaar heen te verspreiden, maar een deel ervan te concentreren in een 10-daags Gergiev Festival. Om een festival te mogen heten en de 4 I’s tot hun recht te laten komen, moet je meer doen dan alleen een reeks concerten geven. ‘Ingebed in een kader’, zegt de definitie. En dat gebeurde met verdiepende lezingen, met verstrooiende filmpjes, met een compositiewedstrijd voor jongeren, jeugdconcerten en op allerlei plekken in die immense hal van de Doelen hoekjes, praat- en zitplekken en overal iets te eten en te drinken. Inmiddels is het festival uitgegroeid tot een 10 daags evenement dat zich afspeelt op allerlei verschillende plekken in Rotterdam (2011 thema Sea and the City). En opeens blijkt er niets waar te zijn van die andere trend: vergrijzing, want overal duiken kinderen en jongeren op, geconcentreerd en vol blij enthousiasme over zoveel moois. En in de grote zaal is het nog altijd muisstil….. Les: Vanuit de verstrooiing bloeit de meest geconcentreerde aandacht.