Het misverstand kwaliteit

Sinds 1983 acht de overheid zichzelf opeens in staat tot de beoordeling van eigentijdse hoogwaardige kunst zonder het eigentijdse publiek daar erg warm voor loopt. De overheid als een soort avant garde voor het volk uit. Na 25 jaar ‘vooroplopen’ moet worden vastgesteld dat deze overheidskoestering van de avant-garde  in de kunst weinig heeft opgeleverd.

‘Kwaliteit’ als centraal criterium voor kunstsubsidie dateert uit de jaren 80 van de vorige eeuw. Daarvoor waren de centrale criteria ‘schoonheid en volksverheffing’ (1945 – 1960) en ‘welzijn, spreiding en vernieuwing’ (1960 – 1983). De kwaliteit van de kunst was onder deze gesternten immanent en stond niet ter discussie. Zelfs bij het welzijnscriterium waarbij mensen ‘op gedifferentieerde wijze deelnemen aan een ontwikkelingsproces in zelf gekozen richting’, (minister Cals 1965) werd er vanuit gegaan dat kwaliteit vanzelf sprak (Zie voor een historisch overzicht Warna Oosterbaan Martinius, ‘Schoonheid, welzijn, kwaliteit, kunstbeleid en verantwoording na 1945, SDU, Den Haag, 1990)

Dat er een speciale soort kwaliteit zou bestaan voor ‘artistiek hoogwaardige kunst, ook als daar in bepaalde gevallen geen grote publieke belangstelling voor bestaat’ werd pas door minister Brinkman in 1983 uitgesproken. Deze stap kwam niet uit het niets, want de gedachte dat er kunst is die door het volk niet – direct – wordt herkend, maar toch –  misschien wel des te meer?  – hoge kunst is, was een gedachte die al sinds de jaren 10 van de vorige eeuw deel uitmaakte van wat in één zwiep het modernisme genoemd kan worden. Het modernisme werd en wordt gekenmerkt door een overtuiging van miskenning. Het publiek ziet het – nog – niet.  Dat maakt het leven voor kunstenaars extra moeilijk. Zij dienen te opereren in de voorhoede (avant garde) maar verkopen daar hun werk niet of in elk geval onvoldoende om ervan te kunnen leven. Nu zijn er in de geschiedenis voorbeelden te geven van in hun eigen tijd niet herkende meesterwerken, zoals het ‘verdwijnen’ van Bach in de 18e eeuw, of de miskenning van Van Gogh, al zijn het er  wel veel minder dan de modernisten graag zien/zagen (vrijwel alle componisten en schilders die wij nu als ‘meesters’ vereren, waren dat ook in hun tijd al.  Bach raakte na zijn dood inderdaad een eeuw in de vergetelheid, maar was tijdens zijn leven een gevierd organist. Van Gogh stierf te jong, anders had hij de bouw van Kröller Muller zelf kunnen begeleiden – zie voor meer voorbeelden H.O. van den Berg ‘Waarom Muziek’, Aramith, Amsterdam, 1990)

Het meest bijzondere aan de uitspraak van Brinkman is dan ook niet dat hij wijst op het mogelijk bestaan van dit soort ‘ verborgen’ kunst, maar dat dit verschijnsel niet langer aan de geschiedenis wordt overgelaten. Vanaf 1983 bestaat er hoogwaardige kunst waar de kijker/luisteraar nog geen weet/oog/oor van heeft, maar de overheid wel. En die overheid acht het zijn taak deze kunst te financieren.

Natuurlijk oordeelt de overheid hier – indachtig een verkeerd uitgelegde Thorbecke – niet zelf over, maar organiseerde dat oordeel via commissies en raden, met de Raad voor Cultuur en de cultuurfondsen als belangrijkste representanten daarvan. Dit door de staat georganiseerde kwaliteitsbegrip heeft vervolgens drie uiterst negatieve gevolgen gehad. Het eerste gevolg is dat ‘subsidie’ gelijk werd gesteld aan ‘kwaliteit’. Je bent immers beoordeeld door de kwaliteitsbeoordelaars bij uitmuntendheid, de Raad voor Cultuur en/of de commissies van één van de Fondsen, een Appellation Controlée Grand Cru voor de kunst. Wie geen subsidie krijgt heeft dus – hoe kan het anders – minder kwaliteit. Deze zelfverheffing van het staatsoordeel heeft niet alleen gevolgen voor degenen die subsidie hebben aangevraagd en het niet krijgen – te licht bevonden – maar strekt zich ook uit tot de kunsten die geen subsidie krijgen omdat ze het zelf bij elkaar verdienen en subsidie dus niet nodig hebben. Subsidie als keurmerk. Het merendeel van de kunst wordt echter helemaal niet gesubsidieerd, maar ontstaat en wordt aan de man gebracht op de vrije markt. In de podiumkunst is dat zelfs 90%: cabaret, popmuziek, het ‘vrije’ toneel en  musical. Daar is soms nog wel sprake van indirecte subsidie omdat opgetreden wordt in een van gemeentewege mede gefinancierd podium, waardoor de producent in staat is om 80% of soms zelfs meer van de recette mee naar huis te nemen. Maar ook in de literatuur, de film en fotografie of de beeldende kunst is het meeste niet van rijkswege beoordeeld en krijgt geen subsidie.

Door de koppeling van subsidie aan kwaliteit worden veel van deze niet gesubsidieerde kunstvormen opeens van mindere kwaliteit. Vooral in het toneel en de dans heeft deze  aanmatiging tot veel verwijdering geleid. Gesubsidieerde en niet gesubsidieerde gezelschappen en producenten organiseerden zich in aparte verenigingen en de niet gesubsidieerden noemden zich ‘vrije’ producenten, om daarmee aan te geven dat zij niet onderworpen waren aan het oordeel van de één of andere raad of commissie. De paradox is dat in de jaren zeventig het verkrijgen van subsidie werd verdedigd met het argument dat je dan ‘vrij’ was van de markt en subsidie daarom bijdroeg aan de autonomie van de kunstenaar. (Zie H.O. van den Berg, ‘ Autonomie in de Kunsten, een hardnekkige illusie’, in: Boekmancahier (6), 1994, blz. 50 – 54).

Een tweede gevolg van dit keurmerk is dat wie (rijks)subsidie ontvangt ook vindt dat er op grond daarvan een recht op speelbeurten bestaat. Staatssecretaris Nuis heeft daadwerkelijk geprobeerd een quotum van ik meen 5% moderne Nederlandse muziek voor symfonieorkesten voor te schrijven. Vooral de kleinere gezelschappen en groepen willen de programmeurs van theaters en concertzalen nog wel eens voor de voeten werpen dat zij geen speelbeurten ‘krijgen’. Als gesubsidieerde groep is men immers erkend goed en verdient dus een plaats op het podium. In een gesprek met het bestuur van de toenmalige VNT is daar rond 2003 zelfs in plechtige bewoordingen over gesproken. Tot die tijd was het bieden van speelplekken aan het rijksgesubsidieerde aanbod een bijzondere zorg van de VSCD podia. In dat gesprek is toen van VSCD zijde gesteld dat het verkrijgen van subsidie niet betekent dat men op voorhand beter is dan niet gesubsidieerd aanbod en dat er dus een markt te bevechten blijft. Ook is nog wel vanuit de commissie theater van de Raad voor Cultuur een poging gedaan om de ‘afnameverplichting’ voor het rijksgesubsidieerde aanbod bij de VSCD af te dwingen. Alsof de muur nog niet is gevallen.

Een derde ernstig gevolg is dat mensen die de gecanoniseerde kwaliteit niet herkennen en bijvoorbeeld niet houden van non-figuratieve kunst of twaalftoonmuziek opeens als dom werden beschouwd omdat zij ‘het’ niet zagen, of zich er zelfs tegen afzetten. Immers, kunst was in deze visie niet langer iets dat in de eerste plaats moest worden ervaren en genoten, maar als iets wat moest worden ‘begrepen’. Daarmee wordt de maatschappelijke discussie over mooi en lelijk op een heel nieuwe en nogal problematische leest geschoeid, die van kennis en begrip. Het spelletje ‘ik-zie-ik-zie-wat-jij-niet-ziet’ wordt daarna door veel mensen verloren. De winnaars voelen zich verheven boven de verliezers. De verliezers voelen zich geminacht.

25 jaar na de introductie van het criterium ‘kwaliteit’ als expertoordeel los van het publieks oordeel, moeten we vaststellen dat het meer kwaad dan goed heeft gedaan. Allereerst heeft dit bijzondere oordeel weinig opgeleverd. Als de overheid echt voor de troepen zou hebben uitgelopen, zou dat nu te merken moeten zijn. Dan zou blijken dat wat 35 jaar geleden als vooruitstrevend, want nog zonder publiek, vernieuwend en ontwikkelend werd gesubsidieerd, nu algemeen wordt bewonderd en het publiek de overheid vervolgens dankbaar kan zijn voor de vooruitziende blik waarmee zij dat financieel heeft ondersteund. Zelfs de avant garde uit de jaren 20/30 van de vorige eeuw, die dankzij dit criterium de gelegenheid kreeg zich in de jaren 70 opnieuw te presenteren, heeft echter geen definitieve plek op het podium gevonden.  Schönberg (de late), Berg, Weber, Stockhausen, of in eigen land, Vermeulen, Van Vlijmen, Schat, hun muziek heeft geen van allen repertoire gehouden, laat staan school gemaakt.

Staatssecretaris Zijlstra heeft aangekondigd een nieuwe beoordelingsaanpak voor te staan met een andere invulling van het kwaliteitsbegrip. ‘ Meer dan kwaliteit’  heet zijn beleidsbrief niet voor niets. Het in stand houden van een ‘eigen’ kwaliteitsoordeel door een voorzienende staat leidt tot kunstzinnige schizofrenie. Er is enerzijds een kwaliteit waar overheid en publiek het samen roerend over eens zijn (Concertgebouworkest, Nederlands Danstheater) en die subsidie krijgt omdat het door omvang en benodigde investering nu eenmaal niet zonder subsidie kan. Aan de andere kant is er een ‘kwaliteit’ van muziek, theater of beeldende kunst die door slechts een enkeling wordt gewaardeerd, maar staatssubsidie krijgt juist omdat verder nog niemand er wat aan vindt, maar er sprake is van vernieuwing, ontwikkeling of pilot (voorheen ‘avant garde’).

Dat aparte kwaliteitsoordeel door de staat is helemaal niet meer nodig. Over niets wordt zo veel en zo graag geoordeeld als over kunst. Orkesten oordelen over de vraag welke componist ze willen hebben, podia oordelen over de vraag welke orkesten zij willen programmeren en het publiek oordeelt over het concert. We stemmen mee over het beste (publieksprijzen),  houden of lezen beschouwingen op internet, TV, radio en in de krant… Dat noemen we ‘beoordeling in de keten’. Daar hoeft de staat niet nog eens langszij te komen met een eigen oordeel, maar kan gewoon aansluiten op wat we allemaal al vinden. Het geld moet juist gaan naar wat mensen heel erg mooi vinden, maar zonder subsidie niet, niet in voldoende mate of  alleen onbetaalbaar beschikbaar zou zijn.