Kunst bereidt ons voor op wat niet is, maar mogelijk komen gaat (Darwin in de Kunst)

Waarom luistert iedereen naar muziek, lezen we romans en kijken naar film? Waarom zingt bijna iedereen, bespeelt een instrument of speelt toneel? Als iets door alle mensen (en soms ook dieren) wordt gedaan, biedt de evolutie (en dus Darwin) daar dan misschien een verklaring voor? Dat blijkt het geval zoals omstandig wordt betoogd in het boek The Origin of Stories van de Nieuw Zeelandse hoogleraar Brian Boyd . Het is een behoorlijk dik boek, rond de 500 bladzijden. Ik ga daarom proberen het in 6 stappen samen te vatten.
Boyd’s vraagstelling is simpel: hoe komt het dat iedereen, altijd en overal kunst maakt?

Stap 1: Er is geen tijd en geen plaats aan te wijzen waar mensen niet – altijd met en voor elkaar – tekenen, schilderen, verhalen vertellen, schrijven, toneelspelen en muziek maken. Een belangrijk deel van het boek gaat op aan de bewijsvoering van deze stelling: van de grotten in Lascaux tot in de verste eilanden in de Stille Zuidzee: overal en altijd is er kunst gemaakt en wordt kunst beleefd en genoten en wel door iedereen.

Stap 2: Als iets door alle mensen altijd wordt gedaan is dat geen historische toevalligheid of geografische voorkeur van een bepaalde groep mensen, dan is het inherent aan ons mens-zijn. Nature, geen nurture dus. Er moet daarom een biologische noodzaak onder liggen. Dan komt Darwin om de hoek. Welk voordeel biedt kunstbeoefening en kunstbeleving in de overleving van de mens? Dat is de centrale vraag die Boyd zich stelt.

Als literatuurwetenschapper richt Boyd zich daarbij in het bijzonder op het vertellen van en luisteren naar verhalen, kortom toneel en literatuur. Daarnaast gaat hij tamelijk uitvoerig in op muziek. Over andere kunstvormen zegt hij minder, maar hij is overtuigend in de redenering dat kunstbeoefening en kunstbeleving een evolutionair voordeel moeten hebben.

Stap 3: Een overlevingsvoordeel wordt ook wel een Darwin-machine genoemd. Zo zijn handen met vijf vingers een Darwin-machine, maar ook rechtop lopen, goed kunnen ruiken…. .enz. enz.;  allemaal eigenschappen die een soort helpen zich beter aan te passen aan zijn omgeving, minder kwetsbaar te zijn en voor meer nageslacht te kunnen zorgen. De mens is ongetwijfeld één van de meest succesvolle soorten op deze planeet, ons aantal groeit, we nemen steeds meer plek op de aardbol in en we leven steeds langer. We dreigen zelfs aan ons eigen succes ten onder te gaan. De Darwin machine die ons daarbij het meest van nut is geweest, zijn onze hersenen. Niet alleen dat zij groter zijn dan van enig andere soort, nog belangrijker is dat zij bij onze geboorte niet gevuld zijn. Er zit nog niks in….Daarom zijn mensenjongen veel kwetsbaarder dan die van een paard of een vis. Een veulen staat meteen op 4 benen en kan met de kudde mee. Een veulen is behoorlijk af, een baby in de verste verte niet. Een baby kan kijken, luisteren, bewegen, ademen, eten, poepen, dingen pakken, maar nog niet bewegen of praten. De grote hersenen, de hersenen die zelfs nog geleerd moeten krijgen dat ze iets kunnen weten, die hersenen zijn nog helemaal leeg (tabula rasa). Die enorm grote hersenen en het feit dat die na de geboorte nog grotendeels gevuld moeten worden, maken van de mens een super aanpasser en dus ook een super overlever. Want met elke volgende generatie is er opnieuw twee kilo hersenen die helemaal kunnen ontdekken wat er in de wereld is veranderd en hoe we ons daarop zouden kunnen aanpassen .( Voor wie het nog niet wist: survival of the fittest wordt in het Nederlands vaak vertaald als het overleven van de sterkste, maar het betekent het overleven van de meest aangepaste (to fit = passen)

Stap 4: Hersenen ontwikkelen zich door ervaren en oefenen en daar hebben we een aantal vast patronen in ontwikkeld. Deze vaste oefenpatronen worden ook wel een Darwin machine van de Tweede Soort genoemd. Een voorbeeld is stoeien, vechten en sporten. Dat zien we kleine leeuwtjes doen, maar mensen doen niet anders: tikkertje met verlos, hoepelen, hard hollen, verstoppertje, en het is ook meteen duidelijk waar ze goed voor zijn. Met al deze behendigheids- en snelheidsspellen oefenen we voor het geval hollen of verstoppen echt nodig zijn. Komen we ooit in echt gevaar, dan weten we hoe we ons moeten verstoppen, waar onze sterke en zwakke plekken zitten, of we kans maken met een succesvolle aanval of  juist met een gestrekte ren, of dat we beter kunnen blijven zitten. Ook ‘leren’ en ‘wetenschap’ zijn een Darwin machine van de Tweede Soort. Iedereen doet er aan, ook de allerdomsten onder ons, want we weten dat we iets moeten weten als we het willen redden in de boze buitenwereld. En we zijn er heel erg goed in, beter dan onderwijskundigen soms denken. Zo heeft een Indiase zakenman die iets wilde doen aan de achterstand in de sloppenwijken computers in de muur laten metselen. Het bleek dat kinderen, zonder enige begeleiding, alleen maar in het verlengde van hun nieuwsgierigheid, binnen een paar maanden konden mailen en chatten en zichzelf hadden leren schrijven, zelfs in het Engels (Onze Wereld, juni 2011).

Stap 5: Kunnen kunstbeoefening en –beleving misschien worden gezien als een Darwin machine van de Tweede Soort? Wat is het nut van het elkaar verhalen vertellen of van muziek maken en luisteren? Wat oefenen we daarmee eigenlijk? Op dit punt aangeland is de redenering van Boyd van grote schoonheid. Als literatuurwetenschapper kent hij eindeloos veel literatuur en hij heeft zich de vraag gesteld wat maakt dat literatuur houdt, dat we het blijven lezen, soms zelfs lezen en herlezen, spelen en opnieuw spelen, zoals bij Shakespeare en Homerus. Hij wijdt bijna de helft van zijn boek aan deze twee schrijvers. Zijn antwoord is: in het elkaar vertellen van verhalen oefenen we ons in morele dilemma’s. Alle grote literatuur gaat over vragen van goed en slecht. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat we ons deel bijdragen, dat we ons van eten, drinken, een vrouw/man en kinderen voorzien, zonder – in morele zin – vuile handen te maken. Hoe blijven we betrouwbaar en geloofwaardig voor anderen, ook als we gedwongen worden te kiezen uit twee kwaden? (Zo stelde mijn zoon op 12 jarige leeftijd de vraag of je als vader en moeder je kind zou doodmaken als je Hitler heette en je zoon Adolf). Door elkaar verhalen te vertellen, ze tot leven te brengen op het toneel, proberen we ons voor te bereiden op de morele dilemma’s in situaties van oorlog, liefde en strijd. Waar ligt de grens tussen eigen en andermans belang, tussen individu en groep. Wanneer verraad ik mijn liefde, mijn vaderland, mijn principes, mijn geloof? Hoe zou ik handelen, denkt de toehoorder. Valt er te ontsnappen aan het noodlot dat Odysseus treft? Had hij andere keuzes kunnen maken? Hoe kan het dat de vrouwen van Richard III  blijven houden, hoe monsterachtig hij zich ook gedraagt? Door ons met deze vragen bezig te houden oefenen we onze reacties voor het geval we zelf voor situaties komen te staan waarin dit soort beslissingen genomen moeten worden.

Stap 6: En wat dan met muziek? Wat oefenen we met muziek? Om daar greep op te krijgen benoemt Boyd twee samenhangende eigenschappen die de mens als soort zo ongekend succesvol hebben gemaakt: competitie (willen excelleren) en samenwerking/zorg. Individuele competitie is een kenmerk van vrijwel elke soort: wie loopt het hardst, wie wint er met vechten, wie ziet er het mooiste uit? Die krijgt het beste eten en de mooiste vrouwtjes of de beste mannetjes. En ook dan speelt de kunst een rol: de jongens weten dat spelen in een band en zingen op een podium helpt, niet alleen onder mensen, maar ook bij paradijsvogels. Maar wat de menselijke soort in verregaande mate heeft ontwikkeld, is die ongelooflijke samenwerking en zorg waardoor wij van 1 + 1 3 kunnen maken. Werk- en taakverdeling, zorg voor de zieken en zwakken (dat is nodig om de durfals het vertrouwen te geven dat als er iets met ze gebeurt er voor hen gezorgd zal worden), je richten op datgene waar jij het beste in bent en dat leggen naast dat waar anderen het beste in zijn. Mensen zijn daar niet uniek in, ook mieren en bijen hebben ingenieuze organisatievormen ontwikkeld,  maar in het vinden van een evenwicht tussen individu en groep komt Boyd met mijns inziens zijn meest briljante ingeving: met muziek oefenen we die unieke menselijke combinatie van individueel excelleren en groepsgewijs samenwerken . Je probeert als individu het mooiste en het snelste te spelen van iedereen, maar wil het echt mooi worden, dan moet het samen met anderen tot klinken worden gebracht. En zo oefent de muziek ons in dat wat ons evolutionair tot nu toe heeft doen winnen:  individueel presteren maar dat wel samen met anderen. (Ook het studentencorps is zo’n oefenplek. (Mijn zoon in Groningen vertelde dat hij ’s avonds met vrienden een keuze maakte naar de sociëteit te gaan om ‘te profileren of te integreren’. Op mijn vraag wat daartussen het verschil was, zei hij: ‘Profileren is vechten, integreren is praten’)

De Darwinistische verklaring voor het bijwonen of zelf beoefenen van kunst lost ook de vraag op waarom muziek buiten het tonale stelsel en toneel zonder verhaal of lijn zo weinig succesvol zijn gebleken. Het gaat de toeschouwer juist om de verhalen, de morele dilemma’s waarvoor de hoofdpersoon geplaatst wordt. Het gaat om de variatie van disharmonie en harmonie in het samenspel van zang en instrumenten, daarin wordt de meerwaarde van de samenwerking hoorbaar en voelbaar.

Brian Boyd, On the Origin of Stories, Evolution, Cognition and Fiction, Harvard University Press, 2009. http://books.google.com/books/about/On_the_origin_of_stories.html?id=1mu…

Animal Art