Subsidie, lekker makkelijk !

Toen we als VSCD in 2003 lid werden van MKB Nederland wilden we daarmee onszelf en de buitenwereld bewijzen dat je – ook als je mede door de overheid wordt gefinancierd – toch gewoon ondernemer bent en dus thuis hoort in een grote werkgeversorganisatie. Dat werd door de ledenwerver van MKB op prijs gesteld. Hij zag het wel zitten om die buitenissige cultuurclubjes bij MKB Nederland binnen te halen.
We bevonden ons in vreemd gezelschap. De afkorting VNT (Vereniging van Nederlandse Theatergezelschappen en – producenten) bleek bijvoorbeeld ook Vereniging van Natuurgeneeskundig Therapeuten en Verbond van Nederlandse Tussenpersonen te betekenen. We waren overduidelijk in afkortingenland terecht gekomen. De keuze tussen VNO/NCW of MKB Nederland was snel gemaakt: schouwburgen, concertzalen en festivals zijn hoogstens midden-, maar bijna altijd kleinbedrijf, of zelfs microbedrijf . De meeste podia zijn microbedrijven. Er is nog een groep ‘klein’, een paar zijn er ‘midden’ en een enkeling ‘groot’ (Het Muziektheater, maar dan moet je wel alle daar gehuisveste gezelschappen meetellen).

MKB Nederland is georganiseerd naar brancheverwantschap: zakelijke dienstverlening, bouw, zorg, metaal, e.d. en het voor ons in de cultuur meest voor de hand liggende cluster heette ‘Vrije Tijd’. Daar zaten we dan, samen met de sport, scouting, dorpshuizen, campings, strandtenten, horeca en de relaxbranche. Na de VNT en VSCD volgden al snel ook de andere cultuurkoepels en binnen niet al te lange tijd waren we interessant genoeg om een aparte studiemiddag over cultureel ondernemerschap te beleggen. De inleiding werd gedaan door Tim Bolweg, toen voorzitter van de Recron (campings, strandtenten). Na een kort welkom formuleerde hij zijn visie op het cultuurveld: ‘Kunst en cultuur beschouwen wij als de slecht-weer-voorziening voor het strand’. Het werd stil aan onze kant. Ik vreesde verontwaardiging, of zelfs een dramatisch vertrek van deze of gene, maar iedereen bleef, zij het niet zonder gêne.

Ik denk dat we er sinds die middag goeddeels in zijn geslaagd al die andere vrije tijdsvoorzieningen ervan te overtuigen dat het beoefenen van en gelegenheid geven aan de kunsten een tamelijk serieuze aangelegenheid is. Maar nog altijd zijn er partijen die overheidsfinanciering lekker makkelijk vinden en zodra we een voet over de grens van de kunst zetten roepen dat er sprake is van oneerlijke mededinging. De horeca heeft daar zelfs een aparte stichting voor opgericht, Bureau Eerlijke Mededinging, waarvan de afkorting BEM als onomatopee aardig verklankt hoe hard er gestreden moet worden tegen ‘gesubsidieerd bier’.

Het is mij inmiddels duidelijk geworden dat het opereren in  een ‘gemengde economie’ van overheidsfinanciering en markt helemaal niet ‘lekker makkelijk’ is. Integendeel. Het is spelen op twee pingpongtafels tegelijk, de één met de linker- en de ander met de rechterhand. De ene is de overheidstafel en de andere de markttafel, elke tafel  met eigen spelregels. Bij de overheidstafel gaat het om lange lijnen, risicomijdend opereren, iedereen te vriend houden (heb je je net woedend uitgelaten over het culturele onbegrip van een vertegenwoordiger in de oppositie, levert die na de verkiezingen de wethouder cultuur), een vierjaarlijks herexamen (waarom betaalt deze stad eigenlijk voor een concertzaal?) en een verantwoordingscultuur, waarin je van elke cent moet kunnen uitleggen waaraan je die hebt besteed. Op de markttafel gaat het daarentegen om snelle beslissingen, het nemen van risico’s, het durven maken van vijanden en het sturen op financiën. Die combinatie is uiterst moeilijk, om niet te zeggen licht schizofreen. Het is veel makkelijker om of het één (ambtenaar van een spending department) of het ander (uitbater van een horecatent) te zijn, want dan kun je je bekwamen in de vaardigheden die er op die ene tafel nodig zijn. Een cultureel ondernemer is zoiets als een ‘tweebenige voetballer’, die is ook zeldzaam.

Dat de buitenwereld – soms nog – denkt dat wij het ‘lekker makkelijk’ hebben is nog tot daaraan toe, veel erger is het dat de kunstwereld deze verdomhoek zelf verinnerlijkt. We kijken met een combinatie van verheerlijking en zelfverloochening naar ‘de markt’ en ‘het bedrijfsleven’ alsof we dat zelf net niet zijn. We spreken over de ‘grote wereld’ of nog erger ‘het echte leven’ alsof we er zelf niet helemaal bijhoren. We praten soms over ons eigen werk alsof we mislukt zijn. ‘Dan hadden we maar een vak moeten leren’, zei een branchedirecteur die hoorde wat zijn buurman in het bedrijfsleven verdiende. De cultureel ondernemer als Calimero die lijdt aan zelfbeklag, om niet te zeggen een milde vorm van zelfhaat, zij het altijd onder een aura van culturele superioriteit. Dat is ook  het zielige van het woord cultureel ondernemerschap, alsof dat toch net even minder is dan ‘gewoon’ ondernemerschap.

Cultureel ondernemerschap bestaat helemaal niet. Er is alleen ondernemerschap, in de ene tak makkelijker dan in de andere. Samen met al die andere organisaties die op twee tafels tegelijk moeten spelen, zoals ziekenhuizen of zorginstellingen, onderneemt de cultuur aan de moeilijke kant. Als Calimero beseffen we ons onvoldoende dat die ‘grote wereld’ diep ontzag heeft voor de kunstenaar en al degenen die zich daaromheen ophouden. En dat we er juist daarom in slagen de commerciële big shots te verleiden tot een zetel in onze Stichtingsbesturen of tot gratis advieswerk. In een vergelijkend Cao onderzoek uit 2006  bleek dat de salarissen in de kunstwereld ongeveer 10% achter liggen op wat elders in de samenleving (de ‘grote’ wereld?) wordt betaald. Dat is geen zwakte, dat maakt ons niet zielig, dat is onze kracht. We zijn actief in één van de meest aantrekkelijke (om het relaxwoord ‘sexy’ niet te gebruiken) sectoren van de samenleving en mensen willen daar dolgraag bij horen. Dat staan we ze toe, maar wel onder inlevering van de vacatiegelden, bonussen en 10% salaris.