Wie hoogmoed zaait, zal bezuinigingen oogsten

Bi onze lobby tegen de bezuinigingen op Kunst & Cultuur ontmoet(t)en we nogal wat ressentiment tegen de kunst. Linkse hobby, elite…. De vraag is in hoeverre de kunst dat ressentiment niet zelf heeft gevoed. Bij onze lobby tussen september 2010 en nu heb ik twee publicitaire dieptepunten beleefd. De eerste was een uitzending van het toen nog bestaande Nova, waarin aan een muziekstudent werd gevraagd waarom het zo belangrijk is dat de overheid (mee)betaalt aan de kunsten. ‘Omdat ik anders straks geen baan heb’, was het diepzinnige antwoord van deze 21 jarige violiste. Met zo’n antwoord zou onze staatssecretaris wel raad weten, dacht ik meteen, want het deed denken aan de moppen over de werkverschaffing uit de jaren dertig van de vorige eeuw, waar de ene ploeg werd betaald om een sleuf te graven en de volgende ploeg salaris kreeg om hem weer dicht te gooien. Maar het dieptepunt was het optreden van Reinbert de Leeuw in De Wereld Draait Door met een uitvoering van het stuk 4’33” van John Cage, een zogenaamd modern stuk uit de jaren zeventig van de vorige eeuw. Het stuk duurt 4 minuten en 33 seconden (daarom heet het zo) en bestaat alleen uit stilte, waarbij de dirigent en de musici af en toe een bladzijde van de partituur omslaan. De eenvoud van het concept maakt het mogelijk het stuk in elke bezetting uit te voeren en Reinbert de Leeuw zat voor deze gelegenheid achter een vleugel. Het meest bijzondere aan de uitzending was dat Matthijs van Nieuwkerk 4’33” zijn mond hield en daar na afloop uiterst enthousiast over deed. De zaal was ook heel enthousiast (maar dat is bij DWDD standaard), terwijl ik alleen maar dacht: ‘Nu kunnen we het wel schudden, nu zullen PVV en VVD pleiten voor totale afschaffing van alle subsidies en het meteen ook maar doen verdwijnen van alle publieke omroepen’. Het stuk 4’33” dateert uit 1952 en is ooit geschreven voor piano. Het was toen al geen stuk, maar hoogstens een statement, of een beetje mislukte grap, zeker toen het later nog een keer met een heel orkest – echt ingewikkeld arrangeren was het niet – werd uitgevoerd. Maar zoals geldt voor elk statement en grap: die maak je geen twee keer. Eenmaal gemaakt verliezen statement en mop hun pointe en clou. Het jaren later nog eens bloedserieus herhalen is alleen maar koren op de molen van alle mensen die vinden dat het maar eens afgelopen moet zijn met die kunstzinnige onzin. (zie 4’33″op: ) Want daar komt het van. Veel van het ressentiment tegen de kunst hebben we te danken aan de kunstzinnige hoogmoed waarmee het publiek te lang knollen voor citroenen zijn verkocht. Aan de ‘statements’ die zijn geplaatst. Toneelstukken zonder tekst of plot, waarin de wetten van ruimte en tijd ‘doorbroken’ werden, honden op het podium, dansvoorstellingen met naakte dansers in het donker, bewegend over de grond, ondersteund door een geluidswal, muziekstukken zonder melodie of ritme, witte doeken als schilderij… Pindakaas op de vloer. Kunst is altijd iets geweest dat heel moeilijk te maken is, maar makkelijk te beleven. Je begrijpt niet hoe het is gemaakt, maar je ziet meteen dat het heel erg mooi is of het grijpt je naar de strot. Maar bij sommige eigentijdse kunstsoorten is dat omgedraaid, daar is kunst opeens heel makkelijk te maken, maar erg moeilijk te beleven. Zo moeilijk, dat je het opeens moet begrijpen in plaats van beleven. Dan is er opeens ruimte voor een kunstelite, zij die begrijpen tegenover zij die niet begrijpen. Dan krijgt een smaakverschil opeens de maatschappelijke betekenis van hoog versus laag . Wie het niet ‘begrijpt’ is opeens dom en dus minderwaardig aan de slimmen die het wel begrijpen. Dan is kunst iets waarin je moet worden opgevoed om de waarde ervan te leren inzien. Zolang dit soort kunst zich in kleine zaaltjes afspeelde, met die paar mensen die er zelf voor kozen deze voorstellingen en concerten te komen zien en horen, was er niet veel aan de hand. Het is een beetje dure gesubsidieerde hobby (de subsidie per bezoeker bij deze voorstellingen is steevast hoger dan die bij de Nederlandse Opera) van enkelingen, maar die deden verder niemand kwaad. Echt fout is het gegaan bij de beeldende kunst in de openbare ruimte. Daar groeide de afgelopen decennia het aantal onbegrijpelijke en roestige sculpturen, verplicht zichtbaar voor iedereen die daar – voor heel andere doeleinden – voorbij zou komen. Als de openbare ruimte het stadsplein voor het stadhuis was, wilde de bevolking nog wel eens in verzet komen , maar vooral onze vaderlandse rotondes zijn de uitstalkasten van deze neerbuigende kunstvorm geworden. Daar komen mensen te kortstondig voorbij om een actiegroep te beginnen, maar ze zien het wel allemaal en denken: NEE TOCH, WAT IS DAT NU …… HET ZAL WEL WEER KUNST ZIJN. Wat het nog onverdraaglijker maakt is dat veel van deze kunst niet is neergezet of geprogrammeerd door een buurtgenoot of door een wethouder die veel van kunst houdt, maar door een commissie van deskundigen. Veel rotondekunst ontsiert de toegang tot onze dorpen en steden inmiddels voor een jaar of dertig. Het is dus niet gek dat de automobilisten die daar telkens weer langs hebben moeten rijden in opstand zijn gekomen: ze bezuinigen op kunst. Deze kunstzinnige hoogmoed was ook bij de protesten tegen de cultuurbezuinigingen iets te vaak aanwezig. Zo werd er de ‘Mars van de beschaving’ gelopen (ra, ra, wie zijn er niet beschaafd) en schreef Ruut Weissman, directeur van de Amsterdamse Toneelschool & Kleinkunstacademie in zijn krant ‘… terwijl de bommenwerpers met napalmbommen aan boord over het kunstlandschap scheren, kun je de woorden van de generaal-majoor al horen als straks de boel volledig in de fik staat: “Do you smell that? Napalm son. I love the smell of napalm in the morning. It smells like .. victory.’ In diezelfde krant doet ook Gerardjan Rijnders nog een duit in het zakje van de hoogmoed als hij zegt: “Het is net als toen de Duitsers binnenvielen. Wat zou ik mensen aanraden? Hup in het verzet!” Gelukkig komt er in die krant ook een net afgestudeerde actrice aan het woord, Eva van Manen (21), die zegt: “Misschien is het voor ons wel goed dat we nog niet in het subsidiesysteem zitten. Misschien moeten we op zoek gaan naar nieuw publiek. We moeten niet zo bang zijn. En niet zo ijdel.”

Affixhw Hein de Korte voor Kunstbende 1991